donderdag 9 september 2010

Habemus papam

Mijn vader is bij de hulpbisschop geweest. Vanwege dat gedoe in Reusel, met prins Carnaval. Gedoe in Reusel? Ja, want prins Carnaval mocht geen hostie van de pastoor. Tijdens de Heilige Mis ter ere van, jawel, carnaval. Die prins is namelijk homo. En homo's, die mogen geen hosties. Althans, niet van de pastoor van Reusel, en ook niet van zijn chefs, en al helemaal niet van de chefs van die chefs. Homo = bah, dus geen communie. En daarmee uit. Amen. Nu vraagt u zich wellicht af waarom mijn vader nu pas naar die hulpbisschop is gestapt. Dat gedoe met die prins, dat is toch al maanden geleden? Klopt. Maar daarna, of ongeveer tegelijk, of eigenlijk al ruim daarvoor, was er nog veel meer gedoe. Over paters en jongetjes. Over nonnen en meisjes. Over gemoedelijke Belgische bisschoppen die dat allemaal het liefst ver onder een heel dik tapijt wilden stoppen. Er was de afgelopen maanden geen houden meer aan. Op een gegeven moment leek het wel alsof zo ongeveer iedereen die ooit op een priesterschool of in een klooster had gezeten was betast, geknepen, aangerand of nog veel erger.
Nu is mijn katholieke vader een aardige, zachte man. Groot fan van harmonie en gezelligheid. Knappe jongen die hem kwaad krijgt. Maar ineens was hij het zat. Want ik, zijn dochter, ben namelijk volgens de in steen gebeitelde regels van de kerk ook niet welkom op de communie. Om dezelfde reden die geldt voor prins Carnaval van Reusel. En na het zoveelste interview met een getroebleerd slachtoffer van een grijpgrage kerkvader brak plotseling de klomp van mijn vader. Het is toch godsamme niet te geloven, zo riep hij uit, dat mijn kind wordt gediscrimineerd door dit stelletje hypocriete engerds! En toen heeft hij gebeld. Met de hulpbisschop. Op een of andere manier had hij via iemand zijn mobiele nummer. Jaja, ook hulpbisschoppen bellen mobiel, met bluetooth en alles, je moet tenslotte met je tijd meegaan. Mijn vader belde dus. Voor een afspraak. Hij wilde verhaal halen en voor mij op bres. Hij wist ook wel dat ik al jaren niet meer naar de kerk ga, dus die communie, ach, ik mis het niet, maar daar ging het niet om. Het ging om het principe, vond mijn vader. Dus op naar de hulpbisschop (in deze context vraag ik me ineens angstvallig af waar zo'n man precies bij helpt, maar dat terzijde). Was het een goed gesprek? Niet echt. Had het zin? Nee. Helaas. Toen mijn vader vertelde dat hij ermee zat, met die opstelling van de kerk, knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon zich voorstellen dat het ontzettend moeilijk was voor mijn vader, zo'n zondig kind. Dat bedoel ik niet, riposteerde mijn vader. Weer knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon het zich voorstellen hoor, het viel ook niet mee, zo'n dolend, ongelukkig kind. U begrijpt er niks van, zei mijn vader. ‘Dit kan toch onmogelijk de bedoeling zijn van een kerk, van het geloof?’. De hulpbisschop zuchtte en zweeg. En natuurlijk knikte hij daarna, begrijpend. Hij snapte dat het een worsteling was. Met zo'n kind. Als u wilt, voegde hij er aan toe, wil ik best nog een keer met u en uw vrouw komen praten. Mijn vader heeft zijn aanbod ontgoocheld en toch beleefd afgeslagen (mijn vader is een aardige, zachte man). En toen heeft hij zijn jas gepakt en is weggegaan. Later zei hij dat het misschien ook wel erg naïef was geweest, te hopen op een open gesprek met deze dienaar Gods. Sjonge. Kerkvaders. Wat ben ik blij dat ik, arme zondaar, mijn eigen vader heb...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten